Toen ik me in juni eindelijk had ingeschreven voor de fameuze Schrijfweek, kreeg ik ter voorbereiding een enorme lijst met vragen toegestuurd over mijn boek. Ik viel bijna van mijn stoel van schrik toen ik het document opende. Tot dan toe had ik er namelijk helemaal nog geen duidelijk beeld van. Ik wilde een boek schrijven, punt. Waarover? Geen idee. Genre? Geen idee. Zoals? Geen idee…

Maar na de paniek kwam toch ook de berusting toen ik de vragen begon te beantwoorden. Best leuk eigenlijk. Ik liet me helemaal gaan en deed alsof ik geïnterviewd werd door een groot damesblad. Want dat had ik wel al bedacht. Als ik een boek ga schrijven wil ik een zo’n groot mogelijk publiek bereiken. En een zo’n gewoon mogelijk publiek. De doorsnee lezer; iemand die graag leest gewoon omdat die graag leest. Waarom? Omdat ik zelf ook zo’n lezer ben.

Het liefst lees ik boeken die vlot geschreven zijn en die me een goed gevoel geven. Ze mogen best een diepere boodschap bevatten en er mag ook wel iemand verdwijnen of ziek worden, als er uiteindelijk maar iets gebeurt dat de angst of het verdriet doet oplossen en me niet ontredderd achterlaat. Een happy end is zelfs niet noodzakelijk. In het echte leven gebeuren ook de vreselijkste dingen en ongeacht de afloop kun je daarvan ook maar het beste maken is mijn ongeschreven wet.

Dus feel good leek me wel het juiste genre. Maar wat is nu een typische feel good? Wat zijn daar de kenmerken van? En wat maakt een doordeweekse feel good tot een bestseller? Ik besloot om op onderzoek uit te gaan en sprak af met vriendin E. Tijdens de koffie met wortelcake onthulde ik mijn snode schrijfplan. In de boekhandel van de voormalige V&D kocht ik op goed geluk twee boeken van Jojo Moyes. Voor jou voor E. en Vier plus één voor mij. Ik sloot mijn ogen voor de gruwelijk lelijke covers en liet me verleiden door de wervende tekst op de achterflap: “Haar boeken … gingen miljoenen keren over de toonbank.” Dat leek me een passende slogan voor op de achterkant van mijn derde boek. Want ook dat had ik al bedacht, ik ging een trilogie schrijven.

E. had als eerste Voor jou uit en deed verslag. Ze was van slag, zei ze, en had tranen met tuiten gehuild bij het eind. “Niet te geloven“, waren haar eigen woorden, “want ik lees veel en ik had dit nooit verwacht van een simpele feel good“. Haastig begon ik aan de 398 (!) pagina’s van Vier plus één. Het ene cliché volgde op het andere. Ver voor de helft kon ik de goede afloop al raden maar toch las ik vrolijk door. Ik vloog door de vlotte beschrijvingen, lachte om de rake humor en kreeg steeds meer een warm gevoel van het ongeloofwaardige maar o zo leuke verhaal. Geen tranen bij het eind maar wel een heel goed gevoel. Wat een leuk boek en wat een goede schrijfster!

Nu heb ik niet de ambitie om een tweede Jojo te worden maar ik begrijp wel beter waar het om gaat in een feel good. De spreekwoordelijke lach en een traan verpakt in een vlot geschreven verhaal. En de diepere boodschap zit in het genre zelf: ook al rammelt je leven van alle kanten, als je je positief opstelt komt het allemaal wel goed. En dan vooral in de liefde want dat is ook een belangrijk ingrediënt van het leven, eh, genre.

Twee maanden later belde E. me op. Ze was samen met haar dochter naar de verfilming geweest van Voor jou. “Mam, als je maar niet denkt dat ik ga zitten janken net als jij hoor“, had de dochter stoer gezegd voor de film begon. Moeder en dochter zaten samen te huilen bij het eind. De kracht van Jojo. De kracht van een feel good. En een extra droom voor mij: de verfilming van mijn eerste boek. Hoe goed voelt dat?